Sven Cooremans

Zinnen uit verhalen

Luister naar het geluid van mijn handen. Ze tikken zinnen uit verhalen over.

 

 

“Waar Eden ligt? Op de koer van frituur Maria, begot! En de zoom van je schort wreef je lachkuiltjes droog, de zachtste arm met meisjesdons haakte zich in de mijne en kabassend gleed je me doorheen de lege zaak naar buiten. Waar nog een luchtkus en een slaapzacht en de rinkel van de winkeldeur, het zuchtende vallen van de luxaflex: het feest van je openbaring ten einde. De oude steenweg leeg. Wat verderop mijn auto. Ik was niet meteen bij machte om naar huis te rijden. Dan maar eerst de hemel schoongewaaid en de sterren geteld, hun trage tuimelen door de voorruit gevolgd. Voor jou. Nu thuis dus dit hijgende grijpen naar woorden, dit gerangschik van wangknijpers, dit voor echt houden, dit vasthouden. Dit alles overnieuw beleven. Wanneer zie ik je weer?”

 

uit Inge Geworteld (Yang, oktober 2006)

 

 

“In het zuiden dat baadt in een witbloedig nachtlicht, schuift langs een kale, door korsten mos overwoekerde waaiboom met hoog in zijn rafelige kruin op een tak een goudkuifspecht met het flegma van een guanaco een gletsjer naar een meer, schuift met de blauwachtig glanzende, schuivende massa ijs- en ijskoud de scheenzwetende man langs haar maannatte oevers, krast de tong in het bed van haar ene arm zijn trage gang, helemaal naar beneden, waar ze samenkomen, de twee armen van het meer, de gletsjer alle water stokt, druk zich langzaam ophoopt, zich meester maakt van de man die zich schrap zet voor de sneeuwblinde duik naar het planktonrijke hoogtepunt, zijn ogen sluit en slaakt wat moeilijk als gearticuleerd kan worden bestempeld, opstijgt, gedragen door de maritieme lucht voortglijdt, kilometers ver, tot in het koude zuiden, waar het aan de rand van een met gele boomparasiet gekleurd beukenbos landt in de muil van een zeeleeuw die opschrikt van de theatraliteit waarmee een stuk gletsjer afbreekt – waarop de man zich opricht en terugkeert, pompend, en dit allesbehalve gedachteloos.”

 

uit Loxtov (Yang, juli 2004)

 

 

“Hoe stil Venetië soms kan zijn! Hij verlaat de op het bed opengevouwen plattegrond van de stad, onze protagonist, en loopt naar het open raam om haar op te snuiven, de stilte, ter verluchting van zijn woelende hoofd. Want woelen doet zijn hoofd voortdurend, sinds die hypothese zich in hem heeft genesteld, hem en zijn verdriet heeft overmeesterd en hem van haar en haar verdriet heeft losgemaakt. ‘Geef mij een standplaats en ik kan de aarde bewegen!’: in zijn hypothese ziet hij de hefboom, waarmee hij de wereld opnieuw kan bedenken met een logica, zijn leven opnieuw met een zin, zijn vrouw opnieuw met een man, want de vorige pijnstiller is opgelost – voorgoed want onomkeerbaar, als tijd – en samen met het badwater weggespoeld.”

 

uit Sonata da camera a tre, voor basso continuo, viool & verloren zoon (DW&B, april 2003)

 

 

“Ze wist nu bijna alles, maar zei niets, tegen niemand; ze zweeg, voorlopig toch. Maar zij die haar goed kenden, merkten toch iets aan haar; ze wisten niet goed wat, maar er was iets, dat is zeker. Waren het haar ogen? Ja, volgens sommigen waren het op niet te loochenen wijze haar ogen: alsof al wat ze wist maar voorlopig tegen niemand zei reeds zorgvuldig de schittering uit haar ogen had gefileerd. Of was het haar lach? Ja, volgens anderen was het onmiskenbaar haar lach: alsof al wat ze wist maar voorlopig tegen niemand zei als een muilkorf over haar mondhoeken lag. Of was dat alles slechts inbeelding? Waarschijnlijk, besloten allen die haar goed kenden en conform het ongeschreven protocol der vrolijke vrienden, hernamen zij jegens haar hun oude gedragingen.”

 

uit Los Angeles (Gierik & NVT, zomer 2002)

 

 

“Avondlicht streelde de rimpels van de drie appelsienen op de vensterbank, scheen in de donkergroene ogen van de Vesuviaan die oplichtten uit de dolomitische kalksteen, ging op in de lichtkrans van de kristallen kroonluchter die niet in het midden van de éénkamerwoning hing. In de crapaud, die in de hoek naast de platenspeler stond, zat mevrouw Justerini-Brooks (zij was de bovenbuurvrouw van mijn grootmoeder). Op de mat gemaakt van kokosvezels, die in het midden van de kamer lag, stond haar visite, een jongen van zestien.”

 

uit Olieverf op houten paneel, 81,8 x 59,7 cm (Gierik & NVT, winter 2001)

 

...

Copyright © 2014. All Rights Reserved.